Herinneringen aan Herman Pillaert...

Tijdens de interviews die ik deed voor 'Turkije aan de Leie' kwam heel regelmatig een 'papaz' (pastoor) terug, ook wel 'Herman' of 'Pater Pillaert'. Het duurde me even voor ik erachter kwam dat het steeds om dezelfde persoon ging: priester-arbeider Herman Pillaert. Maar eens mijn frank was gevallen, ging ik op zoek naar oude kennissen, vrienden en collega's om een beter beeld te krijgen van de in 2000 helaas overleden 'Turkse priester van Gent'. Velen houden goede herinneringen over aan deze man. Eéntje wil ik jullie graag citeren uit Turkije aan de Leie. 

Hebben jullie er zelf ook? Deel ze gerust!



"Op een nacht in de winter van 1975 zag Herman hoe het dak van zijn overburen (in het beluik Zondernaamstraat/Metselaarsstraat) onder een hevige regenbui bezweek. De priester-arbeider snelde ter hulp, maar het mocht niet baten: het water bedekte de vloer en stroomde van de muren, terwijl de wind door spleten en ramen naar binnen gierde.
De vijf bewoners van het huis waren door de aanhoudende vochtigheid in huis allemaal zwaar ziek geworden. De jongste bewoner was amper drie maanden oud en danig verzwakt door de zware levensomstandigheden. Voor Herman Pillaert lag de oplossing voor de hand: het gezin kon hier niet blijven. 

Nog diezelfde avond bracht hij de vader, moeder en drie kinderen over naar zijn eigen huisje aan de droge, want ietwat hoger gelegen kant van het beluik. Het huis telde zelf maar twee kamers: een benedenverdieping van vier bij vier meter en een bovenverdieping van dezelfde afmetingen. Niet groot, maar wel droog en proper.
Zodra de kinderen sliepen, haalde Herman zelf nog snel een deken uit de kast en overhandigde de sleutel van het huis aan de verbijsterde vader van het gezin. ‘Het is nu van jullie’, zei hij, en zonder er verder woorden aan vuil te maken, trok hij de deur achter zich dicht. In het holst van de nacht stak hij de straat over naar zijn nieuwe woning: het vervallen krot aan de overkant.
Elke keer als Rükiye dit verhaal vertelt, rollen de tranen over haar wangen. Ze heeft het gevoel dat ze Herman nooit echt heeft kunnen bedanken voor wat hij voor hen gedaan heeft. Voor de dochter van wie hij die nacht het leven heeft gered. ‘Maar Herman stond niet toe dat je hem bedankte’, vertelt ze. ‘Nadat hij ons zijn huis had gegeven, kwam hij af en toe een boek of een extra trui uit zijn kast halen. Telkens weer klopte hij beleefd op de deur en vroeg hij of hij niet stoorde. Alsof hij daar te gast was.’ 




Reacties